Scriptie over de posttraumatische stress-stoornis (PTSD).

©Ulrike Pul

Download de scriptie

inleiding
hoofdstuk 1
hoofdstuk 2
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
hoofdstuk 6
hoofdstuk 7
literatuur

1 De posttraumatische stress-stoornis

1.1 symptomen

De posttraumatische stress-stoornis (PTSD) is een angststoornis die kan volgen op een traumatische ervaring. De DSM-IV definieert een dergelijke ervaring als een dreigende of feitelijke dood of een bedreiging voor de fysieke integriteit van de betrokkene of van anderen. Bovendien dient de gebeurtenis gepaard te gaan met intense angst, hulpeloosheid of afschuw (APA, 1994). De hoofdsymptomen van PTSD vallen in een drietal groepen uiteen. De meest kenmerkende groep wordt gevormd door herbelevingen. Deze kunnen bijvoorbeeld optreden in de vorm van terugkerende gedachten of nachtmerries. Ook kunnen intense angst of intense lichamelijke reacties teweeg worden gebracht door de confrontatie met herinneringen aan (delen van) de ervaring. De tweede groep symptomen is vermijding. Daarmee wordt het aanhoudend vermijden bedoeld van prikkels die geassocieerd worden met het trauma, zoals gedachten, gevoelens, activiteiten, situaties of mensen. Er kan amnesie optreden voor (delen van) de ervaring, evenals afstomping van gevoel en van de algemene reactiviteit. De derde groep wordt gevormd door verhoogde arousal. Deze arousal kan tot uiting komen in de vorm van overmatig piekeren, schrikreacties, moeite met concentreren, slaapproblemen en verhoogde waakzaamheid. Om aan de DSM-IV diagnose voor PTSD te voldoen, moet iemand minstens één intrusie-symptoom, drie vermijdings- en twee angstsymptomen hebben. Bovendien moeten de symptomen langer dan een maand aanhouden en in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig funktioneren veroorzaken (APA, 1994). Meestal ontstaat PTSD binnen een paar maanden na de traumatische ervaring. De duur van de stoornis is meestal tussen de drie en zes maanden. Indien PTSD echter langer dan drie maanden aanhoudt, wordt gesproken van een chronisch verloop (APA, 1994). 1.2 epidemiologie van PTSD Epidemiologische studies hebben aangetoond dat niet iedereen die wordt blootgesteld aan een traumatische ervaring PTSD ontwikkelt. Uit een groot Amerikaans bevolkingsonderzoek van Kessler, Sonnega, Bromet en Nelson (1995) onder de Amerikaanse bevolking bleek de lifetime prevalentie van blootstelling aan een trauma 61% bij mannen en 51% bij vrouwen. De prevalentie van PTSD bij diezelfde groep personen bedroeg slechts 5% bij mannen en 10% bij vrouwen. In Nederland werd een soortgelijke prevalentie gevonden: ongeveer 7% van de bevolking ouder dan 18 jaar kampt met PTSD (Gersons & Carlier, 1998). De ernst van de klachten varieert hierbij van mild tot ernstig. De prevalentie van PTSD verschilt per type trauma. Uit onderzoek van Rothbaum, Foa en Riggs (1992) bleek bijvoorbeeld dat enkele weken na een verkrachting 94% van de slachtoffers PTSD had. Na een maand daalde dit tot 67% en na drie maanden tot 47% PTSD. Na niet-sexuele mishandeling had 71% van vrouwelijke slachtoffers de eerste weken PTSD, hetgeen daalde naar 42% na een maand en 21% na drie maanden (Foa & Rothbaum, 1998). Een soortgelijk verloop van PTSD is gevonden in andere getraumatiseerde populaties: 3 maanden na een auto-ongeluk voldeed bijvoorbeeld 25% van slachtoffers aan PTSD-diagnose, hetgeen was gehalveerd na een half jaar (Ehlers, Mayou & Bryant, 1998). Uit zulke studies blijkt dat niet iedereen die eenzelfde traumatische ervaring heeft meegemaakt PTSD ontwikkelt. Blijkbaar zijn er andere factoren dan het type trauma die ook een rol spelen. De afgelopen jaren hebben tal van studies zulke risicofactoren geïdentificeerd (zie b.v. Jones & Barlow, 1990, voor een overzicht). In de eerste plaats bepaalt de objectieve ernst van de traumatische ervaring het risico op PTSD. Hierbij gaat het vooral om de duur van de ervaring en de mate van verwondingen en levensbedreiging (bv. Bernat et al., 1998). Echter doordat een gebeurtenis op verschillende manieren kan worden opgevat, zijn subjectieve factoren vaak betere voorspellers van de traumatische impact (Morgan & Janoff-Bulman, 1994). Recent onderzoek heeft aangetoond dat subjectieve reacties tijdens de ervaring belangrijke risicofactoren zijn voor PTSD. De meeste onderzoeksaandacht is hierbij uitgegaan naar peri-traumatische dissociatie (bv. Marmar et al., 1994; Shalev et al., 1996; Tichenor et al., 1996; Ursano et al., 1999; Bremner et al., 1992).