|
Download de scriptie
inleiding
hoofdstuk 1
hoofdstuk 2
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
hoofdstuk 6
hoofdstuk 7
literatuur
|
3 Het traumatisch geheugen
Er zijn veel aanwijzingen dat het geheugen van een traumatische ervaring
verschilt van een normale herinnering. Dit hoofdstuk begint met een beschrijving
van de kenmerken van het traumatisch geheugen met de nadruk op fragmentatie
en helderheid en vervolgens wordt het ontstaan van het traumatisch geheugen
besproken.
3.1 kenmerken van het traumatisch geheugen
Er zijn kwalitatieve verschillen tussen het geheugen van een ingrijpende
ervaring en het geheugen voor een normale ervaring. Brown en Kulik (1977)
waren de eersten die dit onderzochten. Zij vergeleken het geheugen voor
cultureel belangrijke gebeurtenissen, zoals de moord op president Kennedy,
met het geheugen voor niet-emotionele gebeurtenissen. De herinnering van
de emotionele gebeurtenissen verschilde op een aantal punten van de normale
herinnering. Zo bleken ze levendiger, stabieler en gedetailleerder dan
neutrale herinneringenen. Ze werden 'flashbulb memories' genoemd. Vele
jaren later blijkt er echter een vertekening op te treden in zulke niet-persoonlijk
relevante herinneringen. Er zijn echter belangrijke verschillen tussen
zulke herinneringen en traumatische herinneringen, doordat laatstgenoemde
gevormd worden tijdens extreme angst en hulpeloosheid. Recent onderzoek
is dan ook meer gericht op persoonlijke traumatische ervaringen, dat wil
zeggen negatieve life events die onverwacht zijn en een (potentiële)
dreiging inhouden, zoals een verkrachting (Tromp, Koss, Figueredo en Tharan,
1995). Uit dit onderzoek blijkt dat de juistheid en stabiliteit van de
herinnering aan de ervaring ('traumatische herinnering') sterk bepaald
is door de emotionele valentie van de ervaring.
Herhaaldelijk is gevonden dat herinneringen aan traumatische gebeurtenissen
heel nauwkeurig zijn wanneer het gaat om de gebeurtenis zelf en de centrale
aspecten van het trauma, en minder nauwkeurig voor de perifere aspecten
en de minder belangrijke details van het trauma (Christianson & Lindholm,
1998). Traumatische herinneringen zijn behalve nauwkeurig ook stabiel
naarmate de tijd verstrijkt (bijvoorbeeld; van der Kolk & Fisler,
1995; Wagenaar & Groenweg, 1990). Tromp et al. (1995) vergeleken herinneringen
van een verkrachting met andere onplezierige herinneringen en neutrale
herinneringen. In tegenstelling tot eerder onderzoek (bijvoorbeeld; van
der Kolk & Fisler, 1995; Wagenaar & Groenweg, 1990) waren de herinneringen
aan de verkrachting minder helder en levendig, tevens werden ze minder
goed herinnerd. Tromp et al. (1995) verklaren dit door de mogelijke rol
van alcohol, die de herinnering kan vertroebelen. Wat wel in overeenstemming
was met eerdere bevindingen (bijvoorbeeld; van der Kolk & Fisler,
1995) is dat de herinnering van de verkrachting meer gefragmenteerd is.
Alhoewel talrijke klinische observaties benadrukken dat traumatische herinneringen
gefragmenteerd op perceptueel niveau zijn opgeslagen, heeft dit tot op
heden weinig onderzoeksaandacht gekregen (van der Kolk & Fisler, 1995).
3.2 ontstaan van het traumatisch geheugen
3.2.1 de invloed van arousal op de informatieverwerking
De informatie-verwerkende theorieën gaan ervan uit, dat de kennis
in het geheugen is gerepresenteerd in de vorm van associatieve netwerken.
Bestaande schemata beïnvloeden het encoderen en de interpretatie
van nieuwe informatie. PTSD, en met name het gefragmenteerde karakter
van het geheugen, wordt gezien als een gevolg van het moeilijk verwerken
van een ervaring tijdens extreme angst (Foa & Riggs, 1993). Extreme
angst kan op vier manieren de informatieverwerking beïnvloeden. Ten
eerste verhoogt het de aandacht voor dreiging-relevante stimuli en wordt
de aandacht voor de neutrale stimuli verminderd. Ten tweede leidt arousal
tot een verhoogde afleidbaarheid, oftewel een verlaagde concentratie,
dat een desorganisatie van het geheugen tot gevolg heeft. Ten derde kan
arousal de aandacht verkleinen. Dat betekent dat emotionele arousal ook
de mate van de verwerking van relevante stimuli kan beperken. Als laatste
beperkt arousal de capaciteit van het werkgeheugen. Doordat de angst een
groot deel van de beschikbare capaciteit van het werkgeheugen in beslag
neemt, is er minder capaciteit van het werkgeheugen beschikbaar voor andere
taken (Foa & Riggs, 1993). Het gevolg hiervan zijn fragmentatie en
een desorganisatie van het geheugen. Indien emotionele arousal hoge vormen
aanneemt, kan bovendien worden gedissocieerd, hetgeen verder bijdraagt
aan fragmentatie en desorganisatie. De ervaring wordt niet volledig geassimileerd
en wordt opgeslagen als 'traumatisch geheugen'.
3.2.2 neurobiologische veranderingen
In deze paragraaf zullen alleen die neurobiologische veranderingen besproken
worden, die van belang zijn voor de fragmentatie van het traumatisch geheugen.
Andere veranderingen zijn vanzelfsprekend wel van belang voor het ontstaan
voor het traumatisch geheugen, zoals de linker- en rechterhemisfeer activiteit
voor het stabiele karakter van een traumatische herinnering, maar worden
niet besproken.
Uit onderzoek van Van der Kolk, Burbridge en Suzuki (1997) blijkt dat
intense emotionele arousal de activiteit van de amygdala doet verhogen.
De amygdala is waarschijnlijk betrokken bij de interpretatie van de emotionele
waarde van stimuli (Kolb & Whishaw, 1996) en wordt geactiveerd door
de stresshormonen epinephrine (adrenaline) en norepinephrine (noradrenaline;
Cahill, 1997). In principe is deze invloed gunstig (Bower & Sivers,
1998), maar volgens Van der Kolk et al. (1997) zorgt een plotselinge grote
hoeveelheid vrijgekomen stresshormonen, zoals bij een traumatische ervaring,
ervoor dat de activiteit van de amygdala zodanig wordt verhoogd, dat deze
interfereert met de funktie van de hippocampus. Van de hippocampus wordt
verondersteld, dat het een cognitieve kaart maakt, die de categorisatie
van ervaringen en de connecties van deze ervaringen met andere autobiografische
informatie mogelijk maakt. De hippocampus zorgt voor een interpretatie
van de lokatie en de plaats van de herinnering en integreert als het ware
de ervaring in een cognitief netwerk (Kolb & Whishaw, 1996). Door
funktiebeperking van de hippocampus tijdens een traumatische ervaring
kan de ervaring niet in een cognitief netwerk worden geplaatst. De sensorische
en affectieve imprints worden wel op perceptueel (impliciet) niveau opgeslagen,
maar niet een geheel van (expliciete) betekenis geplaatst, met als gevolg
een gefragmenteerde herinnering. Het impliciet geheugen wordt niet geïntegreerd
in het expliciet geheugen.
Het impliciete geheugen wordt ook wel het onbewuste geheugen genoemd.
Het verwijst onder andere naar het geheugen voor vaardigheden en gewoonten,
emotionele responsen, reflexen en klassiek geconditioneerde responsen
(Van der Kolk & Fisler, 1995). Expliciet geheugen wordt ook vaak aangeduid
als het bewuste geheugen. Dit geheugen verwijst naar de bewuste aanwezigheid
van feiten of gebeurtenissen die een persoon heeft meegemaakt (Van der
Kolk & Fisler, 1995). Bij PTSD lijkt sprake te zijn van een desintegratie
tussen het expliciete en impliciete geheugen. Er zijn sterke aanwijzingen
dat de hippocampus hierbij een rol speelt. Lesies in de hippocampus verstoren
de werking van het expliciet geheugen (van der Kolk et al., 1997) en brain
imaging studies hebben aangetoond dat PTSD-patiënten een verkleinde
hippocampus hebben ten opzichte van getraumatiseerden zonder PTSD (McNally,
1998). Het is echter onduidelijk of dit een risicofactor of gevolg van
PTSD is. Ook experimenteel suggereert dat de traumatische gebeurtenis
met name in het impliciet geheugen wordt opgeslagen. Uit onderzoek van
McNally (1997) blijkt bijvoorbeeld dat Vietnam veteranen met PTSD een
beter expliciet geheugen hebben voor trauma-gerelateerde informatie dan
Vietnam veteranen zonder PTSD. Niet geheel karakteristiek voor expliciet
geheugen is echter dat de inhoud van traumatische informatie meestal wel
beschikbaar is in het bewustzijn van PTSD-patiënten, vandaar dat
de term 'onwillekeurig expliciet geheugen' wellicht karakteristieker is
voor PTSD (McNally, 1998). Bovendien blijkt dat Vietnam veteranen met
PTSD moeilijkheden hebben bij het ophalen van specifieke gebeurtenissen
uit het verleden. Dit duidt op een verschil in het funktioneren van het
impliciet en expliciet geheugen bij traumatische gebeurtenissen (McNally,
1997)
3.3 hoe leidt peri-dissociatie tot fragmentatie?
Door peri-dissociatie wordt niet elke stimulus van het volledige plaatje
opgenomen. Een compleet beeld van de gebeurtenis ontbreekt. Volgens Van
der Kolk, van der Hart en Marmar (1996) leidt peri-dissociatie daardoor
tot een beperking in de cognitieve verwerking en de assimilatie van het
trauma. De elementen van de ervaring zijn niet geïntegreerd in een
geheel, maar zijn voornamelijk opgeslagen in het geheugen (impliciet)
als geïsoleerde fragmenten, bestaande uit zintuigelijke of affectieve
informatie (Van der Kolk & Fisler, 1995). Deze fragmenten van informatie
over de traumatische gebeurtenis kunnen in flarden plotseling in het bewustzijn
opkomen, in de vorm van intrusies.
3.4 intrusies
Intrusies vormen de meest kenmerkende eigenschap van PTSD. Ze kunnen
het best omschreven worden als flarden van traumatische herinneringen,
die plotseling buiten de wil om in het bewustzijn opduiken. Dit kan optreden
tijdens een slaap- en een waaktoestand. Zo bestaan intrusies in een waaktoestand
uit indringende gedachten en gevoelens, herinneringen, beelden of flash-backs,
die bijzonder intens en levendig zijn en intrusies in slaaptoestand komen
tot uiting in dromen en nachtmerries (vanOyen Witvliet, 1997). Intrusies
bestaan in beide toestanden niet alleen uit visuele beelden, maar uit
een variëteit van zintuigelijke modaliteiten, zoals bijvoorbeeld
ook tactiele en auditieve informatie. Uit een onderzoek van Ehlers en
Steil (1995) bij slachtoffers van verkeersongevallen had 65% visuele intrusies,
54% sensaties van geluiden of geuren, 48% somatosensorische sensaties,
48% intrusieve gedachten en 33% voelden alsof gedragingen herhaald werden,
die ze uitvoerden tijdens het verkeersongeval. Intrusies gaan gepaard
met een verhoogde fysiologische activiteit, die tot uiting komt in een
verhoogde hartslag, bloeddruk en zweetproduktie (Southwick, Krystal, Morgan,
Johnson, Nagy, Nicolaou, Henninger & Charney, 1993). Kenmerkend is
ook de oncontroleerbaarheid van de intrusies (Kulka, Jordan, Marmar &
Weiss, 1990).
Intrusies komen tot uiting door triggers die gerelateerd zijn aan het
trauma. Dit kunnen zintuigelijke stimuli, gedrag herinnerend aan het trauma,
of interne fysiologische activiteit zijn. Intrusies zijn in tegenstelling
tot de traumatische herinnering niet stabiel door de tijd (vanOyen Witvliet,
1997).
3.5 onderzoeksvragen m.b.t. peri-dissociatie, fragmentatie en PTSD
Samengevat zullen in deze studie de volgende vragen m.b.t. peri-dissociatie,
fragmentatie en PTSD beantwoord worden:
1) Leidt een traumatische gebeurtenis tot peri-dissociatie?
2) Wat zijn de risicofactoren (peri-traumatisch en pre-traumatisch)?
3) Is er een samenhang tussen peri-dissociatie en fragmentatie van het
geheugen?
4) Leidt peri-dissociatie tot PTSD?
5) Is er een verband tussen fragmentatie en PTSD?
|
|