Scriptie over de posttraumatische stress-stoornis (PTSD).

©Ulrike Pul

Download de scriptie

inleiding
hoofdstuk 1
hoofdstuk 2
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
hoofdstuk 6
hoofdstuk 7
literatuur

6 het onderzoek


6.1 inleiding

Uit het voorafgaande is gebleken dat peri-dissociatie een sterke voorspeller is van PTSD. Bovendien zijn een aantal risicofactoren voor peri-dissociatie besproken, namelijk: pre-traumatische factoren (zoals trait-dissociatie, eerdere life events en hypnotiseerbaarheid) en andere peri-traumatische factoren (objectieve ernst van de ervaring, zoals klinische factoren en subjectieve factoren, zoals de ervaren angst, hulpeloosheid en afschuw). Tenslotte zijn twee mogelijke mechanismen besproken die ten grondslag zouden kunnen liggen aan de relatie tussen peri-dissociatie en PTSD: fragmentatie en gedachtenonderdrukking. Het doel van het huidige onderzoek was om de relatie tussen peri-dissociatie en PTSD nader te belichten. Specifiek werd het volgende onderzocht: (1) de relatie tussen peri-dissociatie en PTSD, (2) risicofactoren voor peri-dissociatie, (3) mogelijke mechanismen tussen peri-dissociatie en PTSD, namelijk: fragmentatie en gedachtenonderdrukking. Tekortkomingen uit eerdere onderzoeken werden vermeden door het onderzoek prospectief uit te voeren. In het onderzoek werd een groep zwangere vrouwen getest, waarvan een deel een zwangerschapsverlies meemaakte. Na een dergelijke ervaring krijgt ongeveer 25% PTSD (zie Engelhard, van den Hout, Arntz).
.

6.2 methode

proefpersonen en procedure. Door middel van een artikel en twee advertenties in Nederlandse tijdschriften werden er deelnemers voor een onderzoek naar zwangerschapservaringen gevraagd. De zwangere vrouwen werden in een vroeg stadium van hun zwangerschap geworven ( < 12 weken). Ongeveer 1370 vrouwen meldden zich vrijwillig aan voor deelname aan het onderzoek. Direkt na aanmelding en elke volgende maand in de zwangerschap kregen zij vragenlijsten thuis gestuurd over de zwangerschap. Het was de bedoeling dat de vragenlijsten binnen een week werden geretourneerd met gefrankeerde retour-enveloppen. Uit deze vragenlijsten kon worden opgemaakt wanneer een vrouw een zwangerschapsverlies had. Degenen met een verlies kregen één maand na de gebeurtenis follow-up vragenlijsten thuis gestuurd.
Van de oorspronkelijke deelnemers hadden 104 (9%) vrouwen een zwangerschapsverlies. Acht vrouwen van deze groep complementeerden de follow-up vragenlijst niet en vielen daardoor buiten de onderzoekspopulatie. Dit onderzoek betreft uiteindelijk een onderzoekspopulatie van 96 vrouwen (n = 96). De gemiddelde leeftijd bedroeg 30,7 jaar (sd = 4,11) en bijna alle vrouwen waren getrouwd of samenwonend. Op één na hadden alle vrouwen een middelbare opleiding genoten en 42% had een hogere beroepsopleiding of universitaire studie afgerond. Het gemiddeld aantal kinderen was 1, en 30% was bij aanvang van het onderzoek kinderloos. De gemiddelde duur van de zwangerschap op het moment van het zwangerschapsverlies bedroeg 11 weken (sd = 3,46; range 5-24), en 95 % had een miskraam (d.w.z. voor de 20ste week van de zwangerschap). Ongeveer 90% van de zwangerschappen was gepland, met een tijdsbestek van gemiddeld 8 maanden om zwanger te worden.

Vragenlijsten. Als Objectief kenmerk van de ernst van de ervaring werd zwangerschapsduur gemeten in weken.
Subjectieve reacties tijdens het verlies waren angst, afschuw, hulpeloosheid, paniek, boosheid en het overvallen voelen, en werden gescoord op een 5-punts schaal (1= helemaal niet, 5= heel erg).
Peri-traumatische dissociatie werd gemeten door de peri-traumatische dissociatie lijst (Marmar et al.,1994). Deze bestaat uit 10 items, gemeten op een 5-punts schaal (1= helemaal niet, 5= heel erg), zoals: "Wat er gebeurde leek mij niet echt, maar als een droom, film of toneelstuk" of "Ik voelde me als een toeschouwer die keek naar wat er met me gebeurde" en "Op momenten had ik moeite te begrijpen wat er gebeurde". De mate van peri-dissociatie werd vastgesteld met de totaalscore.
De mate van sensorische en affectieve kenmerken van de herinnering aan het zwangerschapsverlies is gemeten met de Traumatic Memory Inventory (van der Kolk & Fisler, 1995), maar dan gescoord op een 7-punts schaal (1= helemaal niet, 7= helemaal). Er werd gevraagd naar de sensorische informatie van de herinnering: : "In hoeverre bestaat de herinnering aan het trauma uit: (a) beelden, (b) geluiden, (c) geuren, (d) smaak, (e) lichamelijke gevoelens, (f) alles bij elkaar". De affectieve kenmerken, oftewel de emotionele aspecten van de traumatische herinnering werd gemeten met het item: "In hoeverre bestaat je herinnering uit emoties?" Fragmentatie van de herinnering werd gebaseerd op Tromp et al.(1995): "Hoe gefragmenteerd is je herinnering (losse stukjes i.p.v. één geheel)?".
PTSD symptomen werden gemeten met de Nederlandse vertaling van de Posttraumatic Symptom Scale- Self-Report version (PSS-SR; Foa, Riggs, Dancu & Rothbaum, 1993), die correnspondeert met de 17 DSM-IV symptomen. Foa et al. (1993) rapporteerden een goede betrouwbaarheid en overeenstemming met het gestructureerde interview voor DSM-III-R (SCID; Spitzer, Williams, Gibbon & First, 1990) in het diagnostiseren van PTSD. De interne betrouwbaarheid voor onze steekproef bedroeg 0.87.
Life events werd gemeten met de Negative life event and trauma list ( Morgan & Janoff-Bulman, 1994). Deze bestaat uit 21 ervaringen (bijvoorbeeld; verkrachting, overlijden van een kind, ontslagen zijn van werk) waarbij voor elke meegemaakte ervaring gevraagd wordt naar de leeftijd ("wanneer was het?") en impact ("hoe ingrijpend was dit voor je?")
Dissociatie als karaktertrek werd gemeten door de 8-item PDEQ (Marmar et al., 1994) gescoord op een 5-punts schaal (1=helemaal niet, 5 heel erg), maar dan algemeen gemaakt,dus niet gebonden aan slechts de traumatische ervaring, bijvoorbeeld: "Soms heb ik het gevoel dat ik op de automatische piloot ben", of "soms voel ik me als en toeschouwer die kijkt naar wat er met me gebeurt" .
De hypnotiseerbaarheid werd gemeten met de Tellegen Absorption Scale (TAS;Tellegen, 1982). Deze bestaat uit 34 dichotome ('ja/nee") items, zoals: "Bij het horen of zien van bepaalde muziek zie ik beelden of veranderde kleuren voor me " of " Ik kan opgaan in beeldend of poëtisch taalgebruik ".
Als laatste is gedachtenonderdrukking gemeten door 10 van de 15 items (namelijk 2, 3, 4, 5, 9 niet) van de White Bear Suppression Inventory (WBSI; Wegner & Zanakos, 1994). Items werden gescoord op een 5-punts schaal (1=helemaal niet, 5=heel erg), bijvoorbeeld: "Soms houd ik me bezig om er niet aan te denken" en " Ik doe vaak dingen om mezelf van mijn gedachten erover af te leiden".
De vragenlijsten worden in de bijlage weergegeven.


6.3 resultaten

Peri-dissociatie en PTSD. Ten eerste werd de relatie tussen peri-dissociatie en PTSD berekend met Pearson Correlatie Coefficiënt. Deze was 0,47 (p < 0,00). Als gecorrigeerd werd voor de zwangerschapsduur, daalde deze correlatie naar 0,31 (p < 0,00) en bleef zeer significant.
peri-traumatische kenmerken en peri-dissociatie. De gemiddelde zwangerschapsduur bleek 11 weken (sd = 3,46). De gemiddelde score op de subjectieve kenmerken van het trauma zijn als volgt (range 0-5): Op paniek bedroeg de gemiddelde score 2,37 (sd = 1,39), op afschuw 2,48 (sd=1,45), hulpeloosheid 3,91 (sd = 1,36), angst 2,37 (sd = 1,34), overvallen voelen 3,47 (sd = 1,40) en boosheid 2,76 (sd = 1,56). Ten tweede werd bekeken welke risicofactoren voorspelden of iemand tijdens een zwangerschapsverlies dissocieerde. Het objectief criterium voor de ernst van de ervaring (zwangerschapsduur) hing niet samen met peri-dissociatie. De subjectieve reacties daarentegen wel: naarmate iemand heftigere emotionele reacties had tijdens het verlies (zoals paniek, afschuw, hulpeloosheid), was de mate van dissociatie erger. De correlaties van zwangerschapsduur en de peri-emoties met peri-dissociatie en PTSD klachten worden in tabel 1 weergegeven en de onderlinge correlaties van de peri-traumatische reacties staan in tabel 2.

Tabel 1 Correlaties tussen de subjectieve en objectieve kenmerken, van het zwangerschapsverlies, peri-dissociatie en PTSD.

Tabel 2 Correlatie-matrix van peri-traumatische kenmerken

Pre-traumatische kenmerken en peri-dissociatie. De pre-traumatische factoren trait-dissociatie en life events toonden een significant verband met peri-dissociatie, zie tabel 3. Hypnotiseerbaarheid was niet significant gecorreleerd met peri-dissociatie. In tabel 4 zijn de onderlinge correlaties van de pre-traumatische kenmerken weergegeven.

Tabel 3 Pearson Correlaties tussen pre-traumatische kenmerken, peri-dissociatie en PTSD.

Tabel 4 Correlatie-matrix van pre-traumatische kenmerken

Er werd een aparte variantie-analyse gedaan om te toetsen of sexueel misbruik in de kindertijd een risicofactor is voor peri-dissociatie, waarbij twee groepen werden vergeleken: sexueel misbruik in de kindertijd en geen sexueel misbruik. De verschillen in peri-dissociatie waren echter niet significant (p= 0.88, t=0.15), hetgeen suggereert dat sexueel misbruik in de kindertijd geen risicofactor is voor peri-dissociatie.
peri en pre-traumatische kenmerken en dissociatie Om te toetsen welke van de significante variabelen uit het correlatie onderzoek naar peri-dissociatie nu de beste voorspellers zijn, is een meervoudige regressie-analyse uitgevoerd. Als onafhankelijke variabelen zijn paniek, afschuw, angst, overvallen voelen, boosheid, life events en trait-dissociatie, in de analyse opgenomen. De afhankelijke variabele werd gevormd door de mate van peri-dissociatie. Het model dat de meeste variantie van peri-dissociatie verklaarde, bestond uit, paniek, angst, trait-dissociatie en eerdere life events (zie figuur 5.1 voor regressie-gewichten). Deze factoren verklaarden 39 % van de variantie. Afschuw, zich overvallen voelen, hulpeloosheid, en boosheid bleken niets meer toe te voegen aan de andere voorspellers en werden niet in het model opgenomen.
peri-dissociatie, fragmentatie en PTSD. Vervolgens werden correlaties berekend tussen fragmentatie, peri-dissociatie en PTSD (zie tabel 5). Zowel fragmentatie als de sensorische kenmerken van de herinnering, behalve 'smaak', hingen samen met peri-dissociatie. Fragmentatie en sensorische kenmerken, behalve beelden en lichamelijke gevoelens waren ook geassocieerd met PTSD klachten.

Tabel 5. Pearson Correlaties tussen peri-dissociatie, fragmentatie en PTSD-klachten.

In het vervolg van de analyses wordt als sensorisch kenmerken van de herinnering de totaalscore gebruikt, dus de som van de afzonderlijke zintuigen (item 9f).
Peri-dissociatie, gedachtenonderdrukking en PTSD. De Pearson Correlatie tussen gedachtenonderdrukking en peri-dissociatie bedroeg 0,33** (p = 0,000). De correlatie tussen gedachtenonderdrukking en PTSD bedroeg 0,58** (p = 0,000).
mechanisme 1 en mechanisme 2. De relatie tussen peri-dissociatie, fragmentatie, gedachtenonderdrukking en PTSD klachten werd getoetst met PRELIS 2.30, met PTSD als de afhankelijke variabele. Peri-dissociatie, fragmentatie van de herinnering, sensorische aspecten van de herinnering en de emotionaliteit van de herinnering en gedachtenonderdrukking werden ingevoerd in het model. Het directe effect van peri-dissociatie was 0.11. Het indirecte effect van peri-dissociatie was gemedieerd door geheugenkenmerken enerzijds (fragmentatie en intensiteit van sensorische en emotionele componenten) en gedachtenonderdrukking anderzijds (zie figuur 5.1 voor de gestandaardiseerde regressiegewichten). Ook was er een sterk verband tussen emotionaliteit van de herinnering en gedachtenonderdrukking. Dit totale model verklaarde 59% van de variantie van PTSD klachten na een maand (RMR , 0.05; AGFI > 0.95; Goodness of Fit (3) = 1.84, p = 0.61).

Figuur 5.1 Pad-analyse en gestandaardiseerde regressiegewichten die peri-dissociatie (R² = .39) en PTSD klachten voorspellen (R² = .59)