|
Download de scriptie
inleiding
hoofdstuk 1
hoofdstuk 2
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
hoofdstuk 6
hoofdstuk 7
literatuur
|
2 Dissociatie
Op het moment dat een traumatische ervaring plaatsvindt, wordt er een
mechanisme in werking gesteld, dat uiteindelijk kan leiden tot posttraumatische
klachten. Hierbij neemt peri-traumatische dissociatie een belangrijke
plaats in. In dit hoofdstuk zal hier dieper op worden ingegaan.
2.1 wat is (peri)dissociatie?
Onder normale omstandigheden zijn de mentale processen, zoals gedachten,
herinneringen en emoties, geïntegreerd in één geheel.
Tijdens of vlak na een traumatische gebeurtenis kan er een proces optreden
waarbij een scheiding optreedt tussen de mentale processen. Dit hangt
samen met een gevoel van verdoving, onthechting of een afwezigheid van
emotionele reactiviteit (Gersons & Carlier, 1998). De persoon is zich
minder bewust zijn van de omgeving, van de werkelijkheid (derealisatie)
of van zichzelf (depersonalisatie) en kan het gevoel hebben de tijd anders
waar te nemen (bv. trager) en buiten het lichaam te treden (bv. Marmar
et al., 1994). Wanneer deze gevoelens ervaren worden spreekt men van peri-traumatische
dissociatie (peri-dissociatie) (Spiegel & Cardena, 1991; Marmar et
al., 1994; Clohessy & Ehlers, 1999). Peri-dissociatie wordt in het
algemeen gezien als een adaptieve poging om met overweldigende traumatische
ervaringen om te gaan; dus als een coping-mechanisme dat in werking treedt
onder extreem hoge arousal. Het kan echter ook leiden tot storingen in
het geheugen, waardoor het op langere termijn niet adaptief is (bv. Janet,
1909; van der Kolk en Fisler, 1995) en juist een risicofactor is voor
pathologie.
Het meest voorkomende symptoom van peri-dissociatie is verandering in
de tijdswaarneming (bv. Ursano et al., 1999; Spiegel, 1997). Laboratorium
onderzoek heeft uitgewezen dat de hersenstructuren die betrokken lijken
bij de tijdswaarneming bestaan uit de basale ganglia (o.a. de amygdala)
en een verhoogde cerebellaire bloedstroom (Ursano et al., 1999). Deze
hersenstructuren lijken dan ook een rol te spelen bij peri-dissociatie.
2.2 factoren van invloed op peri-dissociatie
De vraag is echter welke factoren bepalen of iemand dissocieert ten tijde
van een traumatische gebeurtenis. Hier is nog weinig over bekend, maar
factoren die sterk samenhangen met peri-dissociatie zijn op te splitsen
in andere (peri)traumatische factoren en pre-traumatische factoren.
(Peri)traumatische factoren die bepalen of iemand dissocieert zijn objectieve
kenmerken van de ervaring en andere subjectieve reacties tijdens de ervaring.
Objectieve kenmerken van de gebeurtenis die samenhangen met peri-dissociatie
zijn levensdreiging, mate van fysiek letsel en duur van de ervaring (Bernat
et al., 1998; Carlson & Rosser-Hogan, 1991). Echter, doordat een gebeurtenis
op verschillende manieren kan worden opgevat, zijn subjectieve kenmerken
vaak betere voorspellers van de traumatische impact (Morgan & Janoff-
Bulman, 1994). Dit zijn met name reacties tijdens de ervaring, zoals paniek,
angst en hulpeloosheid (Bernat et al., 1998).
Pre-traumatische factoren die een belangrijke rol lijken te vervullen
bij het optreden van peri-dissociatie zijn algemene neigingen tot dissociatie
'trait-dissociatie', hypnotiseerbaarheid en eerdere traumatische gebeurtenissen.
Patiënten met PTSD hebben een hogere dissociatie (DES)-score dan
andere getraumatiseerden zonder PTSD (Bremner, Southwick, Brett, Fontana,
Rosenheck & Charney, 1992), andere psychiatrische patiënten of
normalen (Bernstein& Putnam, 1986). Spiegel et al. (1994) veronderstellen
dat peri-dissociatie mede bepaald wordt door deze reeds aanwezige persoonlijkheidstrek.
Ook zou hypnotiseerbaarheid een rol kunnen spelen. Wanneer een individu
zich in het algemeen sneller laat afleiden van datgene wat er in werkelijkheid
gebeurt en daardoor anders waarneemt dan in een normale toestand (heel
helder of juist vaag), zou dit ook eerder kunnen gebeuren tijdens extreem
hoge angst. PTSD-patiënten en patiënten met dissociatieve stoornissen
zijn sterk hypnotiseerbaar (Kihlstrohm, Glisky & Anginlo, 1994). Tenslotte
zouden eerdere traumatische ervaringen, en met name sexueel misbruik in
de kindertijd, de drempel om te dissociëren verlagen (Marmar et al.
1994). Door eerdere trauma zouden mensen kunnen 'terugvallen' op dissociatie
als copingsstijl.
Er is nog weinig duidelijkheid over de risicofactoren van peri-dissociatie
doordat de meeste onderzoeken hiernaar retrospectief waren en vaak lange
tijd na de traumatische gebeurtenis werden uitgevoerd. Doordat de metingen
van risicofactoren in de retrospectieve onderzoeken gedaan worden NA het
trauma, bestaat de kans dat de scores op tests voor die risicofactoren
beïnvloed worden door de gevolgen van het trauma. En om die reden
zijn de retrospectieve onderzoeken ongeschikt om de causaliteit van risicofactoren
vast te stellen.
2.3 (peri)dissociatie en PTSD
Uit onderzoeken naar verschillende typen trauma is gebleken dat peri-dissociatie
een sterke voorspeller is van PTSD; bijvoorbeeld bij verkeersongevallen
(Ursano et al., 1999; Ehlers et al., 1998) rampen (Spiegel & Cardena,
1991; Holen, 1993; Weiss et al., 1995), oorlogservaringen in Vietnam (Marmar
et al., 1994; Tampke & Irwin, 1999) en acute verwondingen (Shalev
et al., 1996). Deze relatie is onafhankelijk van de ernst van de traumatische
ervaring (Marmar et al., 1994; Ehlers et al., 1998; Shalev et al., 1996)
en van dissociatieve neigingen (Marmar et al., 1994).
Ursano et al. (1999) vonden bijvoorbeeld onder slachtoffers van verkeersongevallen
dat degenen die dissocieerden tijdens de ervaring vier keer zoveel kans
hadden op PTSD dan degenen die niet dissocieerden. Marmar et al. (1994)
vonden eveneens een significant verband (r =0,51) tussen peri-dissociatie
en PTSD bij mannelijke Vietnam veteranen. Uit een studie van Tampke en
Irwin (1999) blijkt ook bij vrouwelijke Vietnam veteranen een significant
verband te bestaan tussen peri-dissociatie en de drie hoofdgroepen van
PTSD-symptomen (peri-dissociatie en herbelevingen, r = 0,50; peri-dissociatie
en vermijding, r = 0,39; peri-dissociatie en arousal, r = 0,24). Shalev
et al. (1993) deden onderzoek naar het verschijnsel bij slachtoffers van
verkeersongevallen en vonden dat de incidentie van PTSD onder andere afhankelijk
was van de dissociatie ten tijde van het ongeval. Uit een andere studie
van Shalev et al. (1996) bij mensen met en zonder PTSD na een ongeval
bleek dat peri-dissociatie de beste voorspeller was van PTSD (r =0,49).
De vraag is echter hoe peri-dissociatie leidt tot PTSD. Er zijn ten minste
twee mogelijkheden.
Ten eerste zou peri-dissociatie kunnen samenhangen met de veronderstelling
dat de traumatische ervaring niet in zijn geheel wordt opgeslagen, maar
in de vorm van gefragmenteerde componenten (van der Kolk & Fisler,
1995). Als een individu wordt geconfronteerd met overweldigende angst,
is het moeilijk om hetgeen er gebeurt te bevatten. Het gevolg hiervan
is dat de ervaring voornamelijk op perceptueel niveau wordt opgeslagen
in het geheugen, bestaande uit gefragmenteerde sensorische en affectieve
componenten, en minder op conceptueel niveau, met betekenis. Dissociatieve
processen tijdens de ervaring zorgen ervoor dat de persoon zich afwezig,
verdoofd of onthecht voelt, hetgeen fragmentatie en desorganisatie van
de latere herinnering aan de ervaring zou kunnen vergroten (Foa &
Riggs, 1993). Doordat de elementen van de ervaring niet geïntegreerd
zijn in een geheel, kan de ervaring niet worden geassimileerd in bestaande
betekenisstructuren (Clohessy & Ehlers, 1999; van der Kolk, van der
Hart & Marmar, 1996). Zulke perceptuele en emotionele geheugenfragmenten
kunnen tot uitdrukking komen in vorm van intrusies en angsten (van der
Kolk, van der Hart & Marmar, 1996) en naarmate de herinnering meer
gefragmenteerd is, is het moeilijker om de ervaring te verwerken en een
betekenis te geven (Foa & Riggs, 1993). Ten tweede zou peri-dissociatie
een (vroeg) teken van vermijding kunnen zijn, dat samenhangt met vermijdingstrategieën
die worden gehanteerd na de gebeurtenis, zoals gedachtenonderdrukking.
Indirecte aanwijzingen hiervoor zijn dat de algemene geneigdheid tot dissociatie
samenhangt met het onderdrukken van ongewilde gedachten (van den Hout,
Merckelbach & Pool, 1996). Het vermijden van de herinnering aan de
traumatische gebeurtenis belemmert herstel van de ervaring (Foa &
Rothbaum, 1998). Bovendien leidt gedachtenonderdrukking juist tot meer
gedachten over hetgeen 'onderdrukt' wordt (Wegner, 1989) en is het dan
ook een risicofactor voor PTSD (Ehlers et al., 1998). In de volgende twee
hoofdstukken worden deze twee mogelijke mechanismen tussen peri-dissociatie
en PTSD uitgebreider beschreven.
|
|